Veel gestelde vragen

Hier vindt u veel gestelde vragen.

PMG Techniek B.V.

Gewandeweg 9
6161 DJ   Geleen (NL)
Tel +31 46 475 9882
Fax +31 46 475 7722
KvK 14090502
BTW NL8169.49.463B01

Bankgegevens

ING BANK 70 388 50          
Iban NL04 INGB 0007 0 388 50  
BIC INGBNL2A 


De Europese Unie heeft diverse richtlijnen uitgevaardigd, ook voor consumentenproducten. Deze richtlijnen moeten door de lidstaten worden opgenomen in de nationale wetgeving. Producten die aan de EU richtlijn voldoen zijn voorzien van de CE-markering. Dit teken wordt ten onrechte ook wel aangeduid als CE-merk, CE merk, CE-keurmerk, CE keurmerk, CE-teken of CE teken. De betekenis van de CE-markering is: “Dit product voldoet aan de wet”. Het Handboek ontwerpen van veilige producten (van Aken et al., Uitgeverij Lemma, 1996, ISBN 90-5189-566-6) vat de kern van de regeling als volgt samen.

Voor producten waarvoor een EU richtlijn volgens de “nieuwe aanpak” bestaat, geldt de verplichting van de CE-markering. Met de CE-markering geeft de producent aan dat het product voldoet aan de eisen van veiligheid, gezondheid, milieu en consumentenbescherming, zoals gesteld in de van toepassing zijnde EU richtlijnen. Producten zonder CE-markering mogen niet worden verhandeld op de Europese markt, ook al voldoen ze aan de eisen. Ook producten die buiten de EU zijn gemaakt, moeten voorzien zijn van een CE-markering alvorens ze worden toegelaten tot de Europese markt. Eigenlijk is de CE-markering een soort paspoort om toegelaten te worden tot de markt. [….] De CE-markering geeft alleen aan dat het product aan de gestelde minimumeisen voldoet en is daarom geen kwaliteitskeurmerk. Een speelgoedvlieger die voldoet aan de CE-markering voldoet aan de basisveiligheidseisen, maar hoeft niet per se goed te werken en is ook niet uitzonderlijk veilig. De CE-markering mag niet worden aangebracht op producten waarvoor dit niet wettelijk verplicht is gesteld. Afhankelijk van de veiligheidsrisico’s gelden verschillende procedures. [….] In principe komt het erop neer dat, als de veiligheidsrisico’s gering zijn, de producent voldoet aan de gestelde (EU-)eisen en via die weg de CE-markering mag aanbrengen op het product. [….] Voor producten met zware risico’s is een officieel keuringsrapport nodig van een door de nationale overheid aangewezen instantie.


De CE-markering is in het leven geroepen om binnen Europa de grenzen op te heffen met betrekking tot de verhandeling van machines. Het is dus geen kwaliteitskenmerk. Echter, om geen handelsbelemmeringen of oneerlijke concurrentie te veroorzaken is een voorwarde hierbij, dat deze machines onafhankelijk van het land van herkomst, een zelfde veiligheidsniveau dienen te bezitten.

Dit heeft men bereikt door voor de nieuwbouwfase van machines de Richtlijn 98/37/EEG (hierna te noemen: Machine Richtlijn) te introduceren op 1 januari 1993 en deze verplicht te stellen voor alle machines, behalve hoogwerkers, vanaf 1 januari 1995. Hierin worden de Fundamentele Veiligheidseisen omschreven waaraan de machines dienen te voldoen.

Voor de hoogwerkers geldt een afwijkende overgangsregeling, zoals omschreven in Richtlijn 93/44/EEG, een wijziging op de Machine Richtlijn. Per 1 januari 1997 dient elke gefabriceerde hoogwerker voorzien te zijn van een CE-markering en vergezeld te gaan van de bijbehorende EG-verklaring van overeenstemming. DE CE-markering mag worden aangebracht nadat dergelijke machines door een “Notified Body” een met positief resultaat afgesloten EG-typeonderzoek hebben ondergaan. Het aanbrengen van de CE-markering is echter voor deze machines toegestaan (maar niet verplicht) vanaf 1 januari 1995.

Bij een dergelijk EG-typeonderzoek wordt onderzocht of de machine voldoet aan de minimale veiligheidseisen, zoals gesteld in de Machine Richtlijn. In deze richtlijn worden geen technische oplossingen aangedragen om aan het gestelde veiligheidsniveau te voldoen. Voor het ontwerp en uiteindelijke uitvoering van de machine kan de fabrikant gebruik maken van bijvoorbeeld een Europese geharmoniseerde norm. Het voldoen aan de een dergelijke norm impliceert dat de machine tevens voldoet aan de relevante eisen uit de Machine Richtlijn.

Het harmoniseren van de Europese norm voor hoogwerkers (EN280) heeft lang op zich laten wachten. De reden hiervan concentreert zich op de discussie omtrent het wel of niet toepassen van een last- of lastmomentbegrenzingssysteem, zoals ingebracht door de Franse leden van de werkgroep. Buiten dit punt, zijn de grondbeginselen en/of uitgangspunten van de prEN280 al weer langere tijd geaccepteerd. Hierdoor, en mede door het ontbreken van de andere regel- of normgeving, hebben Notified Body’s de afspraak gemaakt deze ontwerpnorm voor EG-typeonderzoek in het verleden te gebruiken.


Voor de periode van de Machine Richtlijn waren er geen Europese of nationale normen beschikbaar voor het ontwerp (stabiliteit, sterkte, veiligheidsinrichtingen enz.) en nieuwbouw van hoogwerkers. Om toch een bepaald vooraf vastgesteld veiligheidsniveau te behalen, werd destijds een door de Arbeidsinspectie uitgegeven publicatieblad voor uitvoering van hoogwerkers gehanteerd. Dit publicatieblad is met invoering van de laatste versie van het Arbeidsomstandighedenbesluit (juli 1997) vervallen. Tevens werd er door de fabrikant een zogenaamde fabrikantenverklaring (een voorloper van de huidige CE-verklaring) afgegeven en werd per type hoogwerker een stabiliteitsberekening aan de keurende instantie beschikbaar gesteld.


In het Arbobesluit is de Europese regelgeving (Richtlijn Arbeidsmiddelen) voor de gebruikersfase opgenomen. Dit heeft betrekking op alle machines, zowel met als zonder CE-markering. Aangezien het Arbobesluit weinig tot vrijwel geen bruikbare informatie bevat betreffende het inspecteren van hoogwerkers in de gebruikersfase die niet voorzien zijn van de CE-markering, wordt het publicatieblad van de Arbeidsinspectie P-81 nog steeds in combinatie met het Arbobesluit gebruikt.

Verderop zal daar waar onderlinge verschillen tussen de eisen uit de P-81 en de prEn280 / En280 bestaan dit worden aangegeven, dan wel gebruikt.


Uit het voorgaande blijkt dat er een aantal mogelijkheden zijn, waarbij de datum van fabricage en ingebruikname bepalend zijn. Het volgende kan het geval zijn:

           

   1 jan 1995

   1 jan 1997

               Norm / Regelgeving

Nieuwbouw            |    Gebruikersfase

                                                                                                      

                        |               |                                                       |  

1          f     i     |               |                                  P-81             |   Arbo besluit + P-81

                        |               |                                                      |

2          f           |           i   |                                  P-81             |   Arbo besluit + P-81                   

                        |               |                                                      |

3          f           |               |                   i      Machine Richtlijn    |   Arbo besluit

                        |               |                                                      |

4                      |    f      i   |                                  P-81             |   Arbo besluit + P-81

                        |               |                                                      |          

5                      |    f      i   |                          Machine Richtlijn    |   Arbo besluit

                        |               |                                                      |

6                      |    f          |                   i      Machine Richtlijn    |   Arbo besluit

                        |               |                                                      |

7                      |               |           f       i      Machine Richtlijn    |   Arbo besluit

f     Fabricage

i     Ingebruikname

Opgemerkt wordt, dat machines die een bouwjaar hebben van voor 1997, aantoonbaar reeds in de Europese Gemeenschap aanwezig waren. Zo niet, dan dient alsnog de CE-markering aangebracht te worden (type onderzoek.

1.         Machine gefabriceerd voor 1 januari 1995 en in gebruik genomen voor 1 januari 1995 aan de     hand van Periodieke inspectie wordt uitgevoerd conform van het Arbobesluit en met hulp van

            de P-81.

2.         Machine gefabriceerd voor 1 januari 1995 en in gebruik genomen voor 1 januari 1997 aan de     hand van Periodieke inspectie wordt uitgevoerd conform van het Arbobesluit en met hulp van

            de P-81.

3.         Machine gefabriceerd voor 1 januari 1995 en in gebruik genomen na 31 december 1996 aan      de hand van de Machine Richtlijn (prEN280 / EN280). Periodieke inspectie wordt uitgevoerd      conform het Arbobesluit en de betreffende productnorm (prEN280 / EN280).

4.         Machine gefabriceerd na 31 december 1994 en in gebruik genomen voor 1 januari 1997 aan      de hand van de P-81. Periodieke inspectie wordt uitgevoerd conform het Arbobesluit en de

betreffende productnorm (prEN280 / EN280).

5.         Machine gefabriceerd na 31 december 1994 en in gebruik genomen voor 1 januari 1997aan       de hand van de Machine Richtlijn (prEN280 / EN280). Periodieke inspectie wordt uitgevoerd      conform het Arbobesluit en de betreffende productnorm (prEN280 / EN280).

6.         Machine gefabriceerd na 31 december 1994 en in gebruik genomen na 31 december 1996

aan de hand van de Machine Richtlijn (prEN280 / EN280). Periodieke inspectie wordt

uitgevoerd conform het Arbobesluit en de betreffende productnorm (prEN280 / EN280).

7.         Machine gefabriceerd na 31 december 1996 en in gebruik genomen na 31 december 1996

            aan de hand van de Machine Richtlijn (prEN280 / EN280). Periodieke inspectie wordt

            uitgevoerd conform het Arbobesluit en de betreffende productnorm (prEN280 / EN280).

De punten 4 en 5 behoren dus tot de overgangstermijn, waarin de fabrikant de keuze had:

•           Voldoen aan de op dat moment geldende in Nederland van kracht zijnde normen of `

regelgeving; of

•           Voldoen aan de Machine Richtlijn.       

De situaties die nu nog voor kunnen komen zijn ondergebracht onder de punten 3, 6 en 7. Waarbij vooral bij punt 3 op het volgende de nadruk wordt gelegd:

Ook machines met een bouwjaar van voor 1995, die nu voor het eerst in gebruik worden genomen, dienen voorzien te worden van de CE-markering en vergezeld te gaan van de bijbehorende EG-verklaring van overeenstemming. Oftewel ook deze “oude” machines dienen een EG-typeonderzoek af te leggen.


            1. Manier van werken

Het inspecteren van hoogwerkers en machines in het algemeen vereist een bepaalde discipline, daar waar het de volgorde van handelen betreft. Het inspecteren is in grove lijnen als volgt op te bouwen:

a) onderzoeken / visuele inspectie;

b) beproeving;

c) onderzoeken / visuele inspectie;

d) functietest.

Hieronder wordt omschreven wat deze methode inhoud.

            1.1. Onderzoeken / visuele inspectie

Voor aanvang van het beproeven van de machine wordt eerst een visuele inspectie uitgevoerd omtrent de technische toestand van de machine. Daarbij wordt vooral gelet op:

•           toestand onderwagen (pennen, bouten, borgingen, scheuren, vervormingen, (overmatige)

            roest), met speciale aandacht voor:

            •          toestand van de banden;

            •          wielbouten en –moeren;

            •          bevestiging rijmotoren;

            •          fusees en stuurinrichting;

            •          toestand van de steunpoten;

•           toestand krachtbron / aandrijfsysteem, met speciale aandacht voor:

            •          elektrische bedrading (beschadigingen die kunnen leiden tot kortsluiting);

            •          bevestiging van de accu’s

            •          hydraulisch systeem (lekkage), bevestiging en van leidingen, slangen en koppelingen,              met speciale aandacht voor beschadigingen aan slagen, waarbij de koordlaag

                        zichtbaar is en tevens roestvorming vertoont;

•           bevestiging bovenwagen / schaarpakket aan onderwagen, waarbij in het geval van een

            draaikrans speciale aandacht wordt besteed aan de bevestiging daarvan (bouten / moeren);

•           toestand bovenwagen (pennen, bouten, borgingen, scheuren, vervormingen, (overmatige)

            roest);

•           bevestiging werkbak aan giek of scharenpakket;

•           toestand werkbak (schopranden, knieregels, leuningen, toegangen, pennen, bouten,

            borgingen, scheuren, vervormingen, (overmatige) roest);

•           tevens wordt gecontroleerd of alle benodigde teksten en/of pictogrammen aanwezig zijn om

            een veilig gebruik van de machine mogelijk te maken.

            1.2 Beproeving

Voordat in wordt gegaan op de specifieke eisen, zal eerst het verschil tussen een onderbediening en een noodbediening worden toegelicht:

•           De onderbediening maakt gebruik van het primaire aandrijfsysteem. Dit is hetzelfde systeem,   tijdens een normaal gebruik van de hoogwerker wordt aangesproken bij bediening vanuit de

            werkbak. De noodbediening maakt gebruik van een secundaire of hulpaandrijving. Dit is een

            van het primaire aandrijfsysteem volledig onafhankelijk opererend systeem, bestaande uit een

            eigen krachtbron, energievoorziening, pomp e.d.

•           De onderbediening mag niet gebruikt kunnen worden in die situaties, waarbij zich personen in

            de werkbak bevinden. Dit wordt in de meeste gevallen voorkomen, door de machine te \          voorzien van een uitneembare sleutelschakelaar, waarmee de bediener kan kiezen voor

            bediening vanaf grondniveau, of vanuit de werkbak. Een andere oplossing is een afsluitbare

            onderbediening. Daartegen moet de noodbediening te allen tijde (juist wanner er zich

            personen in de werkbak bevinden) beschikbaar zijn.

           

            1.2.1. Beproeving besturingssysteem vanaf grondniveau:

Deze beproeving houdt in dat er een functietest wordt uitgevoerd, waarbij de werking van alle bedieningsinrichtingen (hendels, knoppen e.d) van alle machines bewegingen wordt getest.

Indien de machine voor gebruik breed gezet of afgestempeld moet worden, bediend vanaf het grondniveau, kan dit reeds plaatsvinden. Hierbij worden tevens de eventueel bijbehorende systemen getest die dienen te voorkomen, dat men het platform kan heffen zonder dat de uit stabiliteitsoogpunt noodzakelijke voorzieningen volgend door de door de fabrikant voorgeschreven instructies worden gebruikt.

           

            1.2.2. Beproeving met testgewichten

Indien er geen mankementen zijn gevonden, die het beproeven van de machine onmogelijk, dan wel gevaarlijk maken, kan men overgaan tot de beproeving van de machine.

Telescoophoogwerkers:

De lastmoment- of lastbegrenzingsinrichting dient alle lastmoment vergrotende bewegingen uit te schakelen, zoals daar zijn:

•           uittelescoperen;

•           heffen / optoppen (indien de giek zich onder de horizontale lijn bevindt);

•           dalen / aftoppen (indien de giek zich boven de horizontale lijn bevindt);

Schaarhoogwerkers:

De lastbegrenzingsinrichting, indien toegepast op dergelijke machines, bestaat in de meeste gevallen uit een systeem, dat met behulp van een sensor de druk meet in de hefcilinder(s) en bij constatering van een te hoge druk (meestal de situatie, waarbij het werkplatform in de transporttoestand staat) een waarschuwing afgeeft in de vorm van een licht- of geluidssignaal en eventueel de hef- en rijfunctie afgeschakeld. Het is dus in de meeste gevallen geen lastbegrenzingsinrichting als wel een overlast beveiligingssysteem dat slechts waarschuwt en niet ingrijpt.

            1.3 Onderzoeken / visuele inspectie

Zoals reeds eerder vermeld, kan tijdens de beproeving van de gestuurde leiding- en/of slangbreukbeveiliging nogmaals een visuele inspectie uit te voeren op alle krachtdoorleidende punten (dragende constructie, scharnierpunten, enz.).

Nadat is geconstateerd, dat de machine na visuele inspectie en statische belasting geen mechanische gebreke vertoond worden alle bewegingen tijdens normaal bedrijf optredende snelheden uitgevoerd (dynamische belasting). Hierbij moet gelet worden op het gedrag van de machine, waarbij het zonder schokken starten en stoppen van een beweging plaats moet kunnen vinden. Tevens dient men te letten op “piepjes”en “kraakjes”en speling van de onderling verbonden onderdelen.

            1.4 Functietest

Indien men overtuigd is dat de machine geen gebreken vertoont op alle omschreven voorgaande gebieden, voert men een functietest uit dat betrekking heeft op:

•           de werking van de bediening;

•           de werking van alle (veiligheid)systemen.

            1.4.1 Functietest bedieningsinrichtingen vanuit de werkbak

Deze beproeving houdt in dat er een functietest wordt uitgevoerd, waarbij de werking van alles bedieningsinrichtingen (hendels, knippen e.d.) van alle machine bewegingen wordt getest.

            1.4.2 Functietest beveiligingssystemen

Beveiligingssystemen worden onderverdeeld in:

•           veiligheidssysteem, en

•           niet-veiligheidssystemen.

Beide categorieën worden hier nader uitgewerkt.

Veiligheidssysteem

Kenmerkend voor veiligheidssystemen is de toepassing van schakelaars met een contactdeel die gedwongen geopend wordt: EN 60204-1; 1995, 3.43: “Gedwongen openen (van contactdeel): Het verkrijgen van een isolerende scheiding als direct gevolg van een gespecificeerde beweging van het bedieningselement van de schakelaar door middel van niet-verende delen.”

Niet-veiligheidssysteem

De functie van dit systeem is het onderbreken van de dalende beweging op het moment dat de kleinst gemeten afstand tussen de ten opzicht van elkaar bewegende onderdelen niet kleiner is dan 50 mm.

Dit alles ter voorkoming van knelgevaar van de handen.


             

            1. Merktekens

Op elke machine dient een type plaat gemonteerd te zijn waarop duurzaam de volgende informatie is aangebracht:

•           fabrikant (land van herkomst);

•           model;

•           serienummer;

•           bouwjaar;

•           eigengewicht;

•           nominale belasting;

•           (EN 280) nominale belasting (uitgesplitst in personen + aanvullende uitrusting);

•           (EN280) maximaal toelaatbare zijdelingse belasting uitgedrukt in N;

•           (EN280) maximaal toelaatbare windbelasting uitgedrukt in m/s;

•           (EN280) maximaal toelaatbare scheefstand van het chassis;

•           (EN280) informatie omtrent externe voedingsbronnen (elektrische, pneumatisch, hydraulisch).

            2 Opschriften

Opschriften die verband houden met de bediening van de machines dienen gesteld te zijn in de Nederlandse taal. Instructies omtrent specialistisch onderhoud e.d mogen buiten het Nederlands ook in een andere Europese taal opgesteld zijn. Alhoewel hiervoor geen regelgeving beschikbaar is worden deze laatste teksten bij voorkeur in het Engels of Duits gesteld, aangezien deze talen door de meeste personen worden begrepen.

De volgende informatie dient op de werkbak te zijn aangebracht:

•           nominale belasting;

•           (EN 280) nominale belasting (uitgesplitst in personen + aanvullende uitrusting) in relatie tot de

            configuratie van de machine;

•           (EN 280) maximaal toelaatbare zijdelingse belasting uitgedrukt in N;

•           (EN 280) maximaal toelaatbare windbelasting uitgedrukt in m/s;

            3 Bedieningsaanduidingen

Alle bedieningsorganen dienen voorzien te zijn van duidelijke opschriften en/of pictogrammen, waaruit ondubbelzinnig de functie en de bewegingsinrichting blijkt.

            4 waarschuwingsmarkering

Elk bewegend buiten het chassis uitstekend machineonderdeel dient voorzien te zijn van een waarschuwingsmarkering: geelzwarte strepen, aangebracht onder 45 graden.